Een implantaat in de bovenkaak is mogelijk als het bot op de plek van de ontbrekende tand of kies hoog en breed genoeg is om de kunstwortel stevig te plaatsen. De kaakchirurg onderzoekt uw mond en beoordeelt het kaakbot op röntgenbeelden. Is er te weinig bot, dan kan botopbouw een implantaat alsnog mogelijk maken.
Ook de plaats van de ontbrekende tanden telt mee. Voor één tand kan één implantaat met een kroon volstaan. Mist u meerdere tanden naast elkaar, dan kunnen implantaten samen een brug dragen. U heeft dus niet altijd voor elke ontbrekende tand een apart implantaat nodig.
Hoe beoordeelt de kaakchirurg of u genoeg bot heeft?
Tijdens uw eerste afspraak onderzoekt de kaakchirurg het tandvlees, de tanden naast de open plek en de ruimte voor de nieuwe tand of kies. Op de röntgenbeelden beoordeelt de kaakchirurg hoeveel bot er op de beoogde plek zit. Soms is een driedimensionale röntgenscan nodig om de vorm van het bot beter te zien.
Mist u een kies achter in de bovenkaak? Boven de bovenkiezen ligt de kaakholte, een met lucht gevulde ruimte. De afstand tot de bodem van die holte bepaalt mede hoeveel bot er in de hoogte beschikbaar is. Ook de breedte telt mee: een kaak kan hoog genoeg zijn en toch te smal voor een implantaat.
Wat is het verschil tussen één ontbrekende tand en meerdere?
U mist één tand of kies
Op één implantaat kan de tandarts een kroon plaatsen. De kroon is het zichtbare deel van de nieuwe tand of kies. Omdat de kroon op de kunstwortel steunt, hoeven de tanden ernaast niet te worden bijgeslepen. Mist u een voortand, bespreek dan ook hoe de kroon zal aansluiten op uw tandvlees en de tanden ernaast.
U mist meerdere tanden of kiezen
Ontbreken er meerdere tanden naast elkaar, dan kan een vaste brug op implantaten het hele gat overbruggen. Een brug bestaat uit meerdere kunsttanden die aan elkaar vastzitten. Uw tandarts en kaakchirurg bekijken waar de brug steun nodig heeft en of op die plekken voldoende bot zit. Zo bepalen zij hoeveel implantaten er voor uw gebit nodig zijn.
Wanneer bespreekt u botopbouw en wat betekent dat voor de planning?
Biedt uw eigen kaakbot voldoende houvast, dan kan de kaakchirurg de plaatsing van het implantaat zonder botopbouw plannen. Is de kaak op die plek te smal of te laag, dan bespreekt u of botopbouw geschikt is. Daarbij brengt de kaakchirurg extra bot of botvervangend materiaal aan. Is er onder de kaakholte te weinig hoogte, dan kan de kaakchirurg een sinuslift bespreken. Dat is een vorm van botopbouw onder de kaakholte.
Soms kan de kaakchirurg het implantaat tijdens de botopbouw al stevig plaatsen. Is daarvoor nog te weinig houvast, dan krijgt u eerst de botopbouw. Het aangebrachte bot krijgt tijd om vast te groeien. Daarna beoordeelt de kaakchirurg wanneer het implantaat kan worden geplaatst.
Wanneer krijgt u de definitieve kroon of brug?
Na plaatsing heeft het implantaat tijd nodig om vast te groeien in het kaakbot. De kaakchirurg beoordeelt wanneer het stevig genoeg zit voor de definitieve kroon of brug. Bespreek bij het maken van uw behandelplan ook met uw tandarts of u in de tussentijd een tijdelijke tand of kies kunt dragen. Dat kan vooral belangrijk voor u zijn als de open plek zichtbaar is wanneer u praat of lacht.